Lokale boeren en krijgers in het Romeinse gebied
De moderne Rijn tussen Zwammerdam en Groenendijk is tegenwoordig een smalle gekanaliseerde rivier. Op beide oevers wonen mensen in rijtjeshuizen en villa’s en er zijn ook veel bedrijven langs de rivier gevestigd. Tweeduizend jaar geleden staat er hier en daar een lokale boerderij op de oevers. Langs de brede rivier, geperst tussen de uitgestrekte lege hoogveengebieden, grazen huiskoeien. En dan komen de Romeinen…
Als Julius Caesar Gallië tot aan de Rijn verovert, woont iedereen in onze regio ‘ineens’ binnen de grenzen van het Romeinse Rijk. Caesar en zijn leger arriveren in dit gebied rond het jaar 57 BCE, dus een halve eeuw voor het begin van de jaartelling. In zijn boek De bello Gallico, vertaald als Oorlog in Gallië, meldt Caesar dat in onze streken de stammen van de Menapiërs en Eburonen wonen. ‘Onze streken’ betekent voor Caesar het gebied vanaf het noorden van Frankrijk, België en Nederland tot aan de rivier Rijn.
De Eburonen worden in de Gallische oorlog overtuigend verslagen en verdwijnen als stam van het toneel. De Menapiërs zijn kustbewoners, zij wonen langs de Belgische en Zeeuwse Noordzeekust rond de mondingen van Rijn, Maas en Schelde. Zij zijn ook later in de Romeinse tijd nog bekend als leveranciers van zout dat zij winnen langs de Belgische kust.
![]()
Foto: Lokale boerderijen moeten weg na het instellen van de Limes
Vriendschapsverdrag met de Frisii
Langs de hele Noordzeekust en het hierachter liggende veengebied wonen de Frisii. Zij bewonen onder meer de oevers van de Rijn. Tijdens de eerste veldtocht van Drusus, telg uit het keizerlijk huis, in het jaar 13 BCE stuit deze veldheer op de Frisii. Kennelijk is het geen vijandig treffen. De Frisii worden foederati. Dit betekent dat er een vriendschapsverdrag wordt gesloten. De Frisii betalen belasting in de vorm van runderhuiden en zij leveren een zelfstandige eenheid krijgers, een cohort, aan het Romeinse leger. De Romeinen zorgen voor een rechtsstaat en bieden bescherming.
De samenwerking verloopt enige tientallen jaren prima. Pas in het jaar 27, na het begin van de jaartelling, ontstaat er stevige wrijving. Dan eist een Romeinse belastinginner meer en grotere runderhuiden. De veeboeren hebben echter geen grotere huiden. De Romein heeft de maat van een wilde oeros voor ogen, maar de huiskoeien van de Frisii zijn veel kleiner dan zo’n wilde os.
Ook is het land van de Frisii geen dichtbevolkt gebied. De boeren wonen alleen op drogere delen van het land, bijvoorbeeld langs de oevers van
rivieren en in het duingebied langs de Noordzeekust. Het grootste deel van het land van de Frisii bestaat echter uit moerassig hoogveengebied, natte riviervlakten en waddengebied. Kortom: de Frisii kunnen de opeens verhoogde belasting niet betalen en zijn het sowieso niet eens met de gang van zaken.
Dit resulteert erin dat een jaar later, in het jaar 28, een veldslag plaatsvindt. Dit is de Slag bij het Baduhennawoud. Waar dit woud precies lag, is overigens niet bekend. Het meest waarschijnlijke is ‘ergens’ in het huidige West-Friesland. De krijgers van de Frisii verslaan het Romeinse leger. Daarna gelden gewoon weer de afspraken uit het oude verdrag. Tot het jaar 47 als de Limesgrens wordt ingesteld en de boeren langs de Rijn huis en haard moeten verlaten.
![]()
Foto: Chauken zijn boeren, botenbouwers en handelaren
Chauken en de Noordzeecultuur
De Chauken zijn de buren van de Frisii. Het is zelfs mogelijk dat zij zó nauw verwant zijn, dat het losjes om hetzelfde volk gaat. De Frisii bewonen de Noordzeekust tot aan de Eems en de Chauken bewonen de Noordzeekust vanaf de Eems. Uit onderzoek in terpen en uit aardewerkvondsten blijkt dat zij amper van elkaar te onderscheiden zijn. Net als de Frisii zijn de Chauken boeren, die ook handel drijven. De Chauken houden echter liever schapen dan runderen. Beide stammen beoefenen naast de veehouderij kleinschalige landbouw. Het zijn zelfvoorzienende boeren die in kleine nederzettingen wonen. Van een tot drie boerderijen.
Zowel de Frisii als de Chauken wonen in het waddengebied op terpen. Zij maken beide deel uit van de Noordzeecultuur. Dit is een gebied langs de kusten van de Noordzee waar veel handel wordt gedreven. Het gaat in moderne termen om de kusten van Denemarken, Duitsland, Nederland, België en Engeland. Er wordt gehandeld in leer, wol en kaas. Daarnaast is er een tussenhandel in barnsteen, pelzen en slaven. De Chauken, en ook de Frisii, zijn naast boeren dus ook kustvaarders en handelaren.
Voor de Romeinse overheersers zijn de Frisii een bevriende stam en zijn de Chauken vooral Germaanse barbaren. Toch hebben ook de Chauken met Drusus een verdrag gesloten en leveren ook zij een cohort krijgers aan het Romeinse leger. De relatie van de Romeinen met de Chauken is echter slechter dan met de Frisii. Houden de Frisii zich afzijdig als de belangrijke Slag in het Teutoburgerwoud zich afspeelt in het jaar 9, de Chauken vechten aan de kant van de Germaanse stammen tegen de Romeinse bezetters. Uiteindelijk worden beide volkeren buiten het Romeinse Rijk geplaatst als de Limesgrens in het jaar 47 wordt ingesteld langs de rivier Rijn. Naderhand zijn de Chauken vooral bekend als piraten die het de Romeinen langs de Noordzeekust lastig maken.
Het land van de Bataven
Nadat de Eburonen als stam zijn verdwenen, blijft hun woongebied gewoon bestaan. Het gaat globaal om het gebied ten zuiden van de Rijn en ten oosten van de grote veengebieden van het huidige Noord- en Zuid-Holland. Het gebied is na de Gallische oorlogen dunbevolkt maar vruchtbaar. De ‘leegte’ wordt al snel ingenomen door de Bataven, mogelijk met hulp van de Romeinse bezetters. Het is geen stam die van elders is verhuisd. Waarschijnlijk gaat het om mensen die in de Gallische Oorlogen van Julius Caesar aan de ‘verkeerde’ kant hebben gevochten, onder meer Eburonen, en om Germanen van de overzijde van de Rijn uit het Vrije Germania. Mogelijk zijn de verschillende groepen onder druk van de Romeinen als Bataafs volk gaan functioneren.
In ieder geval wordt het binnenland na de Gallische oorlogen weer bewoond en er zijn kleine nederzettingen met boerderijen, zeker langs en tussen de grote rivieren Rijn en Maas. De Bataven hebben, net als de Frisii, een vriendschapsverdrag met de Romeinen. Zij leveren echter aanzienlijk meer krijgers aan het Romeinse leger. Het gaat om maar liefst acht cohorten. Een deel hiervan is cavalerie, want de Bataven zijn goede ruiters en paardenfokkers.
![]()
Foto: Lokale bewoners en Romeinen werken samen
Wie zijn de Cananefaten?
De Romeinse geschiedenis van de Cananefaten is anders dan die van de Frisii, Chauken en Bataven. De Frisii en de Chauken wonen hier al als de Romeinen verschijnen. De Bataven bestaan als stam sinds de Gallische Oorlogen. Maar de Cananefaten lijken halverwege de eerste eeuw uit het niets tevoorschijn te komen. Honderd jaar na de komst van de Romeinen en daarna de Bataven. Uit archeologische opgravingen blijkt dat de Cananefaten vooral het Westland en de kuststreek bewonen.
Het Westland is een gebied dat halverwege de eerste eeuw door overstromingen ontstaat op ‘nieuwe’ grond. Het stroomgebied van het riviertje Gantel wordt vruchtbaarder en beter bewoonbaar. Hier vestigen zich boeren van elders. De boeren komen uit het noorden, het zijn vooral Frisii en Chauken. Halverwege de eerste eeuw is ook de periode dat de Limes wordt ingesteld. Boeren mogen niet meer boeren langs de rivier Rijn. Daarom moeten veel Frisii vanaf het jaar 47 een nieuw bestaan opbouwen. En wat is dan logischer dan op de nieuwe gronden een nieuw boerenbedrijf beginnen?
Onder invloed van de dominante Romeinse militaire aanwezigheid in het westen ontstaat onder de verschillende groepen kolonisten een gezamenlijke culturele identiteit. Niet in het minst omdat de Romeinen ten noorden van de Rijn de bewoners Frisii noemen en ten zuiden van deze grens Cananefaten.
![]()
Foto: Tijdens de Bataafse Opstand branden Romeinse forten af
Bataafse Opstand in 69-70
Het instellen van de Limesgrens langs de Rijn is in het jaar 47. De noordelijke oever van de rivier wordt door het Romeinse leger gebruikt, maar het is de zuidelijke oever die dienst doet als militaire linie. Hier staat castellum Albaniana (Alphen aan den Rijn) en hier komen vervolgens castellum Nigrum Pullum (Zwammerdam), wachtstations als Hazerswoude-Rijndijk (Westvaartpark) en kleine wachttorens. Alles gaat z’n gangetje tot het Vierkeizerjaar 69.
Rond de Bataafse Opstand in dat jaar hangt een zweem van heldendom. De rauwe werkelijkheid is er een van onrust, samenzwering, verraad, bloed en brand. De Bataafse is een opstand binnen het grotere geheel van de Romeinse burgeroorlog die bekend staat als Vierkeizerjaar. De opstand begint met een aanval van de Cananefaten, waarschijnlijk samen met de Frisii, op een winterbivak van Romeinse legionairs bij Praetorium Agrippina (Valkenburg). De opstandelingen trekken langs de rivier Rijn van Romeins castellum naar Romeins castellum. De Romeinen kunnen zich niet handhaven en slaan op de vlucht. Daarbij steken zij telkens hun eigen fort in brand. Deze brandlagen zijn bij archeologische opgravingen in Nigrum Pullum en in Albaniana ook gevonden.
Ondertussen raken Bataafse cohorten, gestationeerd verderop langs de Rijn, in conflict met de Romeinse legerleiding. De Bataven sluiten zich aan bij de opstandelingen. Zij worden aangevoerd door de Romeinse officier Julius Civilis, een Bataaf. Deze neemt vervolgens de leiding van de Bataafse Opstand op zich.
Uiteindelijk wordt de opstand door de nieuwe keizer Vespasianus in het jaar 70 neergeslagen. Hij maakt een einde aan de burgeroorlog en stelt vervolgens orde op zaken in het hele Romeinse Rijk.
Foto: In de dorpen bij de Romeinse castella wonen Romeinse burgers
Bewoners tussen Zwammerdam en Groenendijk
Wie wonen in de eerste eeuw nu binnen de huidige Alphense gemeentegrenzen? Het is duidelijk dat dit tot halverwege deze eeuw de Frisii zijn. Zij bewonen de oevers van de rivier Rijn en van de kleinere veenrivieren die afwateren in de Rijn. Het zijn kleine veeboeren die voor eigen gebruik ook gewassen verbouwen. De Frisii wonen in nederzettingen met een of twee boerderijen. In een boerderij wonen tien tot vijftien mensen. Vanaf het jaar 47, als de Limesgrens wordt ingericht, moeten de boeren hier weg.
In de winter van 40-41 bepaalt het Romeinse leger de bouwplaats van castellum Albaniana. Dit nieuwe castellum, pal langs de Rijn, wordt
bewoont door Romeinse soldaten. Al snel ontstaat een klein dorp bij dit castellum. Hier wonen vooral mensen die werkzaamheden voor het leger verrichten, zoals ambachtslieden en handelaren. Het is vooral familie van soldaten. Zij werken ook voor het leger. In het castellum en het dorp wonen een paar honderd Romeinen. Een paar jaar later, rond het jaar 47, wordt castellum Nigrum Pullum (Zwammerdam) gebouwd. Ook hier ontstaat al snel een klein Romeins dorp.
De Rijn stroomt tussen Zwammerdam en Koudekerk door een smalle corridor tussen hoge veenkussens. Daarom is er geen ruimte voor lokale boerenbedrijven buiten het grensgebied, de Limes. Vanaf Koudekerk wijzigt de situatie. De delta van de Rijn heeft meer armen in het kustgebied en er zijn zo’n beetje vanaf Groenendijk weer lokale boerderijen. Hier wonen, na het instellen van de Limes en na de Bataafse Opstand, mondjesmaat Cananefaatse boeren.
Dit artikel is geschreven door Eveline Verhoeve van RomeinsAlphen.nl
